
Wanneer de parochie Mere is ontstaan is nog niet achterhaald en zal misschien
nooit ontdekt worden. Lange tijd dacht men dat de oudste vermelding van de
parochie uit het jaar 1003 dateerde. Recent historisch onderzoek bracht aan
het licht dat de parochie Mere reeds vermeld wordt in een document dat te
situeren is tussen 800 en 814. Het is een inventaris van de goederen van
Sint-Baafsabdij, op perkament geschreven en later uitgeschraapt. Radiografisch
onderzoek maakte de tekst opnieuw leesbaar. Het enige wat ons nog rest uit die
tijd is de patroonheilige: Sint-Bavo. Zijn beeld staat op het rechter
zijaltaar in de kerk en in de voortuin van de pastorie. (bron: Georges
Declercq, De Gentse Sint-Baafsabdij en de oudste vermeldingen van Mere, in
Mededelingen van de heemkundige kring van Erpe-Mere, jg 43, 2003, p. 62-68)

De parochie heeft ook
enkele bezienswaardigheden: de voornaamste zijn :
--Onze kerk,
De huidige kerk
dateert uit het midden van de 19de eeuw. Ze is de laatste versie van de
bidplaats die hier sinds eeuwen staat. Over de vroegere kerken weten we zeer
weinig. De stijl van de huidige kerk is neo-gotisch, en de bouw werd in 1849
voltooid. Uiteraard onderging de kerk sedert die tijd nog vele aanpassingen,
zowel technische als decoratieve, vooral dankzij de inzet van pastoor Jan
Keymeulen en de kerkfabriek Sint-Bavo.
Bij een rondgang om de kerk valt
onmiddellijk het apart gebruik van zand- en baksteen op. In de drie meest
oostelijke traveeën van het schip werd hoodzakelijk zandsteen verwekt, de
twee achterste delen bouwde men in zandsteen. De kerk bevat 3
kunstschatten :
--
Het grote schilderij op het hoofdaltaar is een voorstelling van de H. Maagd
die door een krans van engelen op een wolk ten hemel wordt gevoerd. Het is
uitgevoerd in olieverf op doek en meet 248 x 168,5 cm (doek op raam).Volgens
een kwijtschrift, bewaard in het kerkarchief is het een werkstuk van (Jan
Jozef) DE LOOZE, schilder te Zele. Het werd aangekocht in 1825 en kostte 171
guldens en 42 cent. Bemerk dat dit schilderij dus voor de bouw van de kerk is
aangekocht en dus afkomstig uit de oude kerk.
Jan Jozef De Loose(°Zele, 1769 - + Sint-Niklaas, 1849) was een leerling van
de Academies van Gent en Antwerpen, waar hij kennis maakte met het werk van
Rubens en Van Dijck. Hoewel hij aanvankelijk in de stijl van deze Vlaamse
meesters was opgeleid, werd hij vanaf 1815 meer beïnvloed door het
neoclassicisme van J.L. David. Op het schilderij van Onze-Lieve-Vrouw merken
we dan ook een gladde, koele schildertechniek. De kleurschakeringen zijn zacht
en beheerst, de compostitie evenwichtig. In zijn tijd was de Loose een gevierd
kunstenaar: hij nam deel aan de talrijke salons te Gent en te Brussel en werd
in 1825 directeur van de tekenacademie in Sint-Niklaas. Hij maakte nog twee
gelijkaardige schilderijen: één voor de H. Kruiskerk te Stekene (1828) en
één voor de Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk te Heestert (1831).
Het schilderij werd in 1951 door restaurateur C.Leegenhoek te Brugge herdoekt
en hersteld.In 1996 kreeg het opnieuw een behandeling in het atelier van de
heer Bart Verbeke te Gent
(uit "De Sint-Bavokerk te Mere van Lut Bavay,1997).
--Het beeld:
Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans 
Het Mariabeeld uit de
kerk van Mere is een parel van middeleeuwse beeldhouwkunst.
Het
stelt de H. Maagd voor, zittend op een troon en met het Kind op haar
schoot.Dergelijke beelden noemen we “Sedes Sapientiae” of “Stoel der
Wijsheid”.
Kunsthistorisch
onderzoek wees uit dat het beeld afkomstig is uit de Scheldestreek,
hoewel het nauw aansluit bij de traditie van de Maaslandse Sedesbeelden.
De
studie van de polychromie dateert het werk in het begin van de 13de eeuw.
Stilistisch
wordt het geplaatst in de overgang van romaanse kunst naar gotiek.
Meesterlijk
gesneden uit eikenhout en uitzonderlijk gaaf bewaard, vertoont het bijzondere
esthetische kwaliteiten. De perfecte, lichtjes geïdealiseerde proporties van
het gelaat geven aan Maria een koninklijke waardigheid; het ranke, niet geheel
verhulde, lichaam een menselijke trek.
Aanvankelijk
was het beeld kleurrijk beschilderd en verguld, waardoor het ongetwijfeld
levendiger was en meer diepgang vertoonde. Een 19de-eeuwse restauratie
verwijderde echter grondig alle polychromie en verving die door een egale
goudkleurige overschildering. Alleen op de aangezichten en de
handen van de figuren en de voeten van het Kind werd een subtiele
huidskleur aangebracht.
Het
beeld kwam in het bezit van de Meerse Sint-Bavokerk circa 1900.
In
2006-2007 onderging het beeld een grondig wetenschappelijk onderzoek en een
verantwoorde restauratie in het atelier van het Koninklijk Instituut voor het
Kunstpatrimonium te Brussel.
--Het beeld: Sint-Bavo

Het beeld van Sint-Bavo, 105 cm hoog, is uit lindehout gesneden en thans
verguld. Het gelaat is op een zeer bedenkelijke manier geschilderd. Het stelt
Bavo voor als ridder. Bavo, eigenlijk Allowin, was een edelman uit de zesde tot
zevende eeuw. Hij was de zoon van de graaf in Haspengouw. Na de dood van zijn
vrouw, bekeerde hij zich tot het christendom onder invloed van de H.Amandus, de
apostel van Vlaanderen. Hij leidde verder een leven als kluizenaar. In 1559, bij
de oprichting van het bisdom Gent, werd Bavo als patroon gekozen. De sculptuur
in onze kerk beeldt Bavo af, gekleed in volle wapenuitrusting. Zijn grafelijke
kroon heeft hij naast zich neergelegd en wijst hij met een gebaar van zijn
rechter hand af. Zijn linker hand houdt hij aan zijn hart, terwijl hij de blik
ten hemel slaat . Wij zien hier dus Bavo op het ogenblik dat hij afstand doet
van zijn werelds bestaan en zijn hart aan God wijdt. De houding van de figuur,
met sterke diagonale lijn, de pathetiek van het gebaar, de breed uitwaaierende
mantel duiden op een barokke sculpteerstijl. Het beeld wordt gedateerd in de
zeventiende eeuw. Te Mere, zoals elders, wordt Sint-Bavo aangeroepen tegen de
kinkhoest. Bedevaarders vereerden de relikwie en namen voor het zieke kind een
rood touwtje (om aan de kleren te bevestigen) en een klein flesje wijn mee.
Sint-Bavo wordt vereerd op 1 oktober.
(uit "De Sint-Bavokerk te Mere van Lut Bavay,1997).
--De pastorie, 
De pastorij van Mere werd samen met de omliggende tuin wettelijk beschermd door
het Kon. Besluit van 14 april 1976. In het kultureel jaarboek voor de provincie
Oost-Vlaanderen wordt het gebouw omschreven als een constructie die typisch is
voor de landelijke pastorijen uit de tweede helft van de 18de eeuw. Er werd daar
voorzichtig aan toegevoegd dat de indeling van de ruimte nog oorspronkelijk kon
zijn. De bescherming kan niet alleen om esthetische maar ook om historische
redenen verantwoord worden genoemd.
(bron: Mededelingen van de Heemkundige Kring van Erpe-Mere, jg 33, 1993).
--Standbeeld Sint-Bavo

Op zondag 28 september 2003 werd , na een plechtige hoogmis, een gloednieuw
beeld van Sint-Bavo onthuld en door Monsigneur Arthur Luysterman, bisschop van
Gent ingewijd. De Merenaren en de talrijke sympathisanten van deze parochie
waren massaal aanwezig en keken vol belangstelling uit. Dit gebeuren vormde
immers het hoogtepunt van het feestjaar 2003, waaraan tal van plaatselijke
verenigingen hun steentje bijdroegen.
Met de realisatie van dit beeld in de voortuin van de pastorij, ging een droom
in vervulling van pastoor Jan Keymeulen, die hiermee zijn praktisch werk te Mere
(restauratie van de pastorij, restauratie en verfraaiing van de kerk) wilde
afronden. Hij werd in deze reeds jaren tevoren geïnspireerd door Albert D'hoker,
erevoorzitter van de Heemkundige Kring van Erpe-Mere, die er van overtuigd was
dat een beeld van de heilige Bavo op dit dorp ontbrak.
Hoe dan ook, de opdracht voor de realisatie van deze droom werd toevertrouwd aan
beeldhouwer Herman De Somer, die hiermee niet meer aan zijn proefstuk toe was.
Herman boetseerde een meer dan levensgroot beeld, dat gegoten werd in de
bronsgieterij Van Geert en met een tweekleurige patine werd afgewerkt. Het stelt
Bavo voor in een sober kleed en met een mantel los over de schouders gegooid. Op
het hoofd draagt hij een weing flatterende muts.Bavo wordt afgebeeld als een
magere pezige man met een wat ontredderde gelaatsuitdrukking, zoekend naar
innerlijke rust. Links van hem staat zijn zwaard in de grond geplant, waarop
zijn valk zit. In zijn rechterhand houdt hij een klein kerkje. Aan zijn voeten
zien we wat geld en juwelen, een harnas en een groot wiel. Het bronzen beeld
werd geplaatst op een sokkel van wit sierbeton, eveneens door Herman De Somer
ontworpen, met daarop de teksten: "ST BAVO en MERE + 28-9-...3/ 1000 BAVO
MIII-MMIII"
De kunstenaar verdiepte zich in het leven van de heilige om hem aldus zo correct
mogelijk, met de juiste symbolen te kunnen weergeven.
Bavo was een edelman uit de 6de eeuw, de zoon van de graaf van Haspengouw, die
aanvankelijk een luxueus en rijk leven leidde op zijn landgoed. Na het
overlijden van zijn vrouw, kwam hij echter tot inkeer. Geld en rijkdom konden
hem niet meer gelukkig maken. Daarom ging hij op zoek naar Amandus, de apostel
van Gent, van wie hij gehoord had. In de abdij Ganda (aanvankelijk in een kluis
op een abdijdomein te Mendonk) vond Bavo de innerlijk rust die hij zocht. Hij
verzaakte aan al zijn wereldse bezittingen en vestigde zich voorgoed te Gent in
een cel buiten de abdij Ganda.
In het werk van De Somer zitten al deze elementen ordelijk verwerkt. De eerste
fase van Bavo's leven is afgebeeld aan zijn linkerzijde: een zwaard, een harnas
en een valk, symbolen van zijn adelstand en macht, een schat aan goud en
juwelensymbool van zijn rijkdom. Al deze drukt Bavo met zijn linkerhand kordaat
weg of vertrappelt hij met zijn voet.
De periode van inkeer en boete wordt in het beld weergegeven door het schamele
kleed, de boetemuts en het feit dat de man blootvoets is afgebeeld. De derde
periode uit Bavo's leven, de tij die hij doorbracht in de abdij Ganda, wordt
gesymbolisserd door de mantel (monnikspij) aan zijn rechterzijde en de abdij die
hij aan zijn hart drukt.
Het wiel achteraan verwijst naar een legende uit zijn leven. De voerman die
stenen aanvoerde voor de bouw van zijn kluis, belandde met zijn wagen in een
gracht, toen een wiel van de wagen middendoor brak. De razende man werd bedolven
onder de vracht stenen en kalk en stierf. Bavo liet het levenloze lichaam van de
man naar zijn cel brengen. Na drie uur gebed kwam de man opnieuw tot leven.
Deze Sint-Bavo heeft een boodschap voor elke voorbijganger: " Mensen, vindt
het geluk niet in macht, in roem of bezit, maar vindt het wel in liefde voor
elkaar."
Mere beat reeds een oud Sint-Bavobeeld in de kerk, dat door zijn barokke
vormentaal en zijn spijtige overschildering al lang niet meer tot ons sprak.Met
dit nieuwe beeld - niet in de kerkmaar op straat tussen de mensen - hebben we
thans een heilige voor onze tijd.
(bron: Lut Bavay in Mededelingen van
de Heemkundige Kring van Erpe-Mere, Jaargang 44, nr.1)
--De Dikke Kapel .
De dikke Kapel, ook "Grote
Kapel" genoemd, staat op de helling van de Kruiskouter, omgeven door 12
lindebomen. Achter de kapel staat een kruisbeeld met een bidbankje. De kapel
werd, zoals op de inscriptie te lezen staat, gebouwd in 1640. Over haar ontstaan
blijven de archieven zwijgen. De kapel heeft, naar de trant van de tijd, een
barokke gevel. De zandstenen elementen in de top verwijzen daarnaar: de
S-vormige voluten, het ronde venster (oculus), de horizontale lijsten.
Circa 1 eeuw later, tussen 1743 en 1753 werd de kapel grondig hersteld
(herbouwd?) en voorzien van een nieuw altaar. Op dat ogenblik maakte ze al deel
uit van de vroegste rozenkransommegang.We vinden de kapel terug op enkele
kaarten: Benthuys (1748), kabinetskaart de Ferraris (1770), plan Popp(1858),
Atlas der Buurtwegen (1843).Wanneer op het einde van de 19de eeuw de kleine
kapellen van de ommegang in neogothische stijl werden opgebouwd, werd ook de
Grote Kapel heringericht en verbouwd. Het interieur werd aangepast aan de stijl
van de nieuwe kapellen.
In de 19de eeuw was de kapel ook een toevluchtsoord voor zieken: de literatuur
vermeldt een drietal genezingen aan de kapel.
In de 20ste eeuw werd de kapel, door de schenkingen van de juffrouwen Marie en
Julie Mabilde, eigendom van de kerkfabriek (1923), die voortaan zorg zou dragen
voor het monument. Tot op heden werd ze reeds tweemaal grondig gerestaureerd:
éénmaal in 1949-50, éénmaal in 1989-92.
Sinds 1975 is de kapel een beschermd monument.